Articles

Patronen in de diagnostiek en prevalentie van notenallergie: een retrospectieve studie

NTvAAKI - jaargang 21, nummer 4, december 2021

drs. E.H. Oosterman , dr. J. Faber , dr. T. Klok

Na een eerste allergische reactie op een specifieke notensoort vermijdt een kind vaak alle notensoorten, vanwege het risico op een multipele notenallergie. Het kind is echter meestal tolerant voor ten minste 1 andere notensoort. Dit kan worden aangetoond met tijdrovende, uitgebreide diagnostiek (voedselprovocatietesten). Bovendien leidt het aantonen van tolerantie niet altijd tot (her)introductie in het dieet. Het doel van dit onderzoek is om een aanbeveling te doen over diagnostiek naar allergieën voor overige notensoorten bij een kind met een specifieke notenallergie. Het betreft een retrospectieve studie, waarbij alle kinderen werden geïncludeerd die in 2015–2018 in het Kinderallergie Behandelcentrum van het Deventer Ziekenhuis een notenprovocatietest hebben gehad. Uit de patiëntendossiers werd informatie over sensibilisatieonderzoek en voedselprovocatietesten verzameld, op basis waarvan werd vastgesteld of er sprake was van een allergie, een mogelijke allergie of tolerantie voor alle verschillende notensoorten. Ook werd informatie over het dieet ten tijde van verwijzing en na diagnostiek verzameld. Er werden 173 patiënten geïncludeerd. Een gegeneraliseerde notenallergie kwam niet voor. Een cashewnootallergie was de meest voorkomende notenallergie (42%), een amandelallergie bleek zelden voor te komen (1%). Na het uitsluiten van een specifieke notenallergie werd de betreffende soort noot in 87–98% van de gevallen niet meer vermeden. Dit onderzoek toont aan dat kinderen altijd tolerant zijn voor ten minste 1 notensoort en dat na diagnostiek een minder beperkend dieet wordt gevolgd. Uitgebreide diagnostiek naar allergieën voor overige notensoorten bij kinderen met een specifieke notenallergie is dus zinvol.

(NED TIJDSCHR ALLERGIE, ASTMA, KLIN IMMUNOL 2021;21(4):127–33)

Lees verder

Therapietrouw

NTvAAKI - jaargang 20, nummer SPECIAL, oktober 2020

dr. T. Klok

Inleiding bij het interview met Merel van Koningsveld, getiteld ‘Therapietrouw en sublinguale immuuntherapie’, Ned Tijdschr Allergie, Astma, Klin Immunol 2020;20(Jubileumspecial):20-1, en het interview met Fabio Di Maio, getiteld ‘Therapietrouw en subcutane immuuntherapie’, Ned Tijdschr Allergie, Astma, Klin Immunol 2020;20(Jubileumspecial):22-3.

(NED TIJSCHR ALLERGIE, ASTMA, KLIN IMMUNOL 2020;20(Jubileumspecial):19)

Lees verder

Preventie van voedselallergie: vermijden is niet goed, tenzij het echt moet

NTvAAKI - jaargang 17, nummer 4, november 2017

dr. T. Klok , D.H.J. Verhoeven

SAMENVATTING

Waar de preventie van IgE-gemedieerde voedselallergie tot 2008 gericht was op het vermijden van hoogallergene voedingsmiddelen, is deze gedachte nu 180 graden gedraaid. De huidige hypothese is dat primaire sensibilisatie voor voedselallergenen plaatsvindt via de (niet-intacte) huid, met name bij kinderen met eczeem. Vroege expositie via de gastro-intestinale route geeft minder risico op sensibilisatie en heeft in een aantal studies een duidelijk preventief effect op het ontwikkelen van een voedselallergie. Met name voor pinda en verhit (maar geen rauw) ei laten interventiestudies zien dat er een duidelijke risicoreductie bereikt kan worden door vroege orale introductie van het allergeen, vooral bij kinderen met een hoog risico op een voedselallergie. De praktische implicatie van deze observatie roept vragen op over de veiligste en efficiëntste methode waarop vroege introductie bij zuigelingen met een hoog risico kan plaatsvinden. Er is echter genoeg bewijs voor de stelling dat het niet tijdig introduceren van hoog-allergene bijvoeding tot een verhoogde kans op voedselallergieën leidt, waarvoor op dit moment nog geen curatieve behandeling is.

(NED TIJDSCHR ALLERGIE & ASTMA 2017;17:157-165)

Lees verder
X