Mepolizumab verbetert de symptoomcontrole, reduceert de dosis orale corticosteroïden en vermindert het aantal exacerbaties bij ernstig astma

juni 2024 EAACI 2024 Vashendriya Hira

Astma is een aandoening van de luchtwegen die wereldwijd meer dan 339 miljoen mensen treft.1 Ernstig astma is een vorm van astma die moeilijk onder controle te houden is en die gekenmerkt wordt door frequente astma-aanvallen, ernstige ademhalingsproblemen en een verminderde longfunctie.2 In klinische studies verbetert behandeling met mepolizumab de symptoomcontrole, waardoor het gebruik van orale corticosteroïden gereduceerd wordt bij patiënten met ernstig astma. In de REALITY-A-studie is hier nader onderzoek naar gedaan.3 Daarnaast is in deze studie het effect van mepolizumab op het aantal exacerbaties onderzocht.4 Tijdens EAACI 2024 presenteerde prof. Giorgio Walter Canonica, MD (Humanitas University, Milaan, Italië) de resultaten van deze studie.3,4

Een deel van de patiënten met ernstig astma heeft ernstig eosinofiel astma, dat gekenmerkt wordt door een verhoogd aantal eosinofiele granulocyten in het bloed en/of de luchtwegen.2 Mepolizumab is een gehumaniseerd monoklonaal antilichaam dat bindt aan interleukine-5 (IL-5), waardoor ze geneutraliseerd wordt. Hierdoor wordt de IL-5-signaleringsroute geblokkeerd en worden de proliferatie, activering en overleving van eosinofiele granulocyten geremd. Uit de gerandomiseerde MENSA-studie blijkt dat behandeling met mepolizumab voordelen biedt aan patiënten met een aantal eosinofiele granulocyten ≥150 cellen/μl in het bloed.4 Het is echter onduidelijk of mepolizumab ook werkzaam is bij patiënten met een aantal eosinofiele granulocyten van 150-300 cellen/μl in het bloed. Bewijs uit klinische studies suggereert dat behandeling met mepolizumab voordeel biedt aan patiënten met ernstige astma ongeacht het allergische fenotype. Alleen ontbreekt bewijst hiervoor uit ‘real-world’-studies. Het doel van deze post-hocanalyse van de REALITI-A-studie was om het effect van mepolizumab in de dagelijkse praktijk op symptomen en het gebruik van orale corticosteroïden te bepalen bij patiënten met ernstig astma.3Daarnaast werd onderzocht of mepolizumab werkzaam is bij patiënten met ernstig astma en een aantal eosinofiele granulocyten van 150-300 cellen/μl.4

Studieopzet

REALITI-A is een prospectieve, internationale, observationele studie met een follow-upduur van 24 maanden die is uitgevoerd in 84 ziekenhuizen in 7 landen.3,4 Volwassenen met een klinische diagnose van astma die recentelijk mepolizumab voorgeschreven hadden gekregen (100 mg s.c. elke 4 weken), kwamen in aanmerking voor deelname aan de studie. Van de patiënten werden gegevens verzameld vanaf 12 maanden vóór tot en met 24 maanden na de start van de behandeling met mepolizumab. In deze post-hocanalyse werden patiënten gestratificeerd op basis van hun atopische constitutie (atopisch, niet-atopisch of onbekend).3 Een atopische constitutie werd gedefinieerd als een positieve uitslag van een huidpriktest of een concentratie van specifieke IgE-antilichamen >0,35 kU/l. Een niet-atopische constitutie was gedefinieerd als een negatieve uitslag van een huidpriktest of een concentratie van specifieke IgE-antilichamen ≤0,35 kU/l. Van patiënten zonder informatie over beide tests werd de atopische constitutie als onbekend beschouwd. De uitkomstmaten waren de verandering in score op de ‘Asthma Control Questionnaire-5’ (ACQ-5; bereik: 0-6; een hogere score duidt op een slechtere uitkomst) tussen het begin van de studie en maand 24, en de verandering in de dagelijkse onderhoudsdosis van orale corticosteroïden tussen het begin van de studie en week 101-104.

Om de invloed van het aantal eosinofiele granulocyten in bloed te onderzoeken, werden patiënten een aantal eosinofiele granulocyten van 150-300 cellen/μl geïncludeerd.4 De uitkomstmaten waren de verandering in het percentage patiënten met klinisch relevante exacerbaties tussen de periode vóór en 0-2 jaar na aanvang van de behandeling met mepolizumab en het aantal exacerbaties.

Resultaten

Van de 822 patiënten waren er 422 (61% vrouw) geclassificeerd als atopisch, 214 (64% vrouw) als niet-atopisch en hadden er 186 (67% vrouw) een onbekende atopische constitutie.3 Aan het begin van de studie was de mediane concentratie totaal IgE in de 3 groepen respectievelijk 264,0, 79,3 en 174,6 kU/l. Na 24 maanden was de gemiddelde verandering in ACQ-5 score ten opzichte van het begin van de studie -1,44 (95%-BI: -1,67- -1,21) in de atopische groep, -1,83 (95%-BI: -2,09- -1,57) in de niet-atopische groep en -1,67 (95%-BI: 1,99- -1,35) in de groep met een onbekende atopische constitutie. Bij de 320 patiënten die orale corticosteroïden gebruikten aan het begin van de studie (157 atopisch, 96 niet-atopisch, 67 onbekend), reduceerde de mediane onderhoudsdosis in week 101-104 met 42% in de atopische groep, 48% in de niet-atopische groep en 60% in de groep met een onbekende atopische constitutie. De mediane dagelijkse onderhoudsdosis van orale corticosteroïden in week 101-104 was ten opzichte van het begin van de studie met 100% gedaald in zowel de atopische groep als de niet-atopische groep en met 83,8% gedaald in de groep met een onbekende atopische constitutie.

Van de 822 patiënten hadden er 84 (61% vrouw) aan het begin van de studie een aantal eosinofiele granulocyten van 150-00 cellen/μl.4 Het aantal patiënten met klinische relevante exacerbaties daalde met 34% tussen de periode vóór en 0-2 jaar na aanvang van de behandeling met mepolizumab. Het aantal klinische relevante exacerbaties nam af met 68% (RR [95%-BI]: 0,32 [0,25-0,41]) en het percentage patiënten zonder klinische relevante exacerbaties nam toe (OR [95%-BI]: 11,92 [4,07-34,90]) tussen de periode vóór en 0-2 jaar na aanvang van de behandeling met mepolizumab. Het aantal patiënten met een klinisch relevante exacerbatie waarvoor een ziekenhuisopname of een SEH-bezoek nodig was, daalde van 43% vóór tot 19% 0-2 jaar na aanvang van de behandeling met mepolizumab. In de groep van 16 patiënten die bij aanvang van de studie orale corticosteroïden gebruikten, was de mediane onderhoudsdosis in week 101-104 gedaald met 100% bij 44% van de patiënten, met 90-100% bij 6% van de patiënten, met 75-90% bij 13% van de patiënten en niet gedaald of toegenomen bij 19% van de patiënten, vergeleken met het begin van de studie. De gemiddelde verandering in ACQ-5-score tussen het begin van de studie en 2 jaar na de behandeling met mepolizumab was -1,76 (95%-BI:-2,34- -1,19).

Conclusie

Uit deze post-hocanalyse van de REALITI-A studie is gebleken dat mepolizumab effectief de controle van astmasymptomen verbetert en de mediane onderhoudsdosis van orale corticosteroïden reduceert bij patiënten met ernstig astma ongeacht de atopische constitutie. Dit is in overeenstemming met eerdere klinische onderzoeksresultaten. Daarnaast is gebleken dat mepolizumab werkzaam is bij patiënten met ernstig astma met een aantal eosinofiele granulocyten van ≥150–<300 cellen/μl in het bloed, zoals blijkt uit een afname in het aantal klinisch relevante exacerbaties en een betere astmacontrole na 2 jaar.

Referenties

  1. GBD 2016 Disease and Injury Incidence and Prevalence Collaborators. Global, regional, and national incidence, prevalence, and years lived with disability for 328 diseases and injuries for 195 countries, 1990–2016: a systematic analysis for the Global Burden of Disease Study 2016. Lancet. 2017;10100:1211-59.
  2. Israel E, Canonica GW, Brusselle G, et al. Real-life effectiveness of mepolizumab in severe asthma: a systematic literature review. J Asthma 2022;11:2201-17.
  3. Canonica GW, et al. Real-world change in asthma symptom control and oral corticosteroid use in patients with severe asthma treated with mepolizumab stratified by atopic status: post hoc analysis of REALITI-A at 2 years. Gepresenteerd tijdens EAACI 2024; abstract 100037.
  4. Canonica GW, et al. Impact of mepolizumab on exacerbations and maintenance OCS use in patients with asthma and baseline blood eosinophil counts of ≥150–<300 cells/µL in the REALITI-A study: 2 year outcomes. Gepresenteerd tijdens EAACI 2024; abstract 000409.