ALLERGIE

Meten om beter te weten: optimaliseren van de effectevaluatie van subcutane immunotherapie met allergeenextracten bij patiënten met allergische rinitis door de implementatie van een gevalideerd meetinstrument

NTvAAKI - jaargang 18, nummer 3, september 2018

E.A. van Nieuwenhuizen-Struik MSc, M.J.E. van Haren , dr. Z. Tempels-Pavlica

SAMENVATTING

De behandeltermijn van subcutane immunotherapie met allergeenextracten bij patiënten met allergische rinitis in het Diakonessenhuis te Utrecht varieert van 3 tot 5 jaar, afhankelijk van het klinische effect. Allergologen en patiënten van het Diakonessenhuis hebben aangegeven het lastig te vinden het juiste moment te kiezen om de behandeling af te ronden. Het probleem is dat er nu geen optimale, objectieve effectevaluatie van de behandeling is doordat een gevalideerd meetinstrument ontbreekt. Het doel van deze explorerende, ontwerp- en praktijkgerichte studie is te onderzoeken welk meetinstrument geschikt is voor een valide meting en evaluatie van het effect van subcutane immunotherapie bij patiënten met allergische rinitis in het Diakonessenhuis. De data zijn verkregen met behulp van verschillende onderzoeksmethoden (‘mixed method research’): onderzoek in diverse kennisbronnen, literatuuronderzoek, expertopiniegesprekken en benchmarkonderzoek.

In het literatuuronderzoek zijn geen aanbevelingen gevonden voor meetinstrumenten die gericht zijn op de klinische praktijk. Wel worden er aanbevelingen gedaan voor het meten van het klinische effect in klinische onderzoeken. In 2007 heeft de World Allergy Organization de ernst van de symptomen en de noodzaak voor daarmee gepaard gaande medicatie gedefinieerd als primair eindpunt voor het meten van het klinische effect van subcutane immunotherapie. Biomarkers en objectieve parameters, zoals IgE, IgG4 en huidpriktesten, worden niet aanbevolen voor de primaire beoordeling van het effect. Alle aanbevelingen uit het literatuuronderzoek en de criteria van de expertgroep in acht nemende voldoet de visueel analoge schaal het meest aan de criteria. Door de klachten van de patiënt te vertalen naar een kwantitatieve uitkomstmaat door middel van een meting met de visueel analoge schaal kan het effect van de behandeling beter worden geëvalueerd en de juiste behandelduur worden bepaald.

(Ned Tijdschr Allergie & Astma 2018;18:102-110)

Lees verder

Dagbehandeling bij constitutioneel eczeem

NTvAAKI - jaargang 18, nummer 2, mei 2018

dr. A.M.J.D. de Bruin-Vanlaerhoven , dr. I.M. Haeck , dr. M. Brakman , dr. M. Tijssen , dr. M.M. Hulshof

SAMENVATTING

Er is weinig bekend over de effectiviteit van dagbehandeling bij patiënten met constitutioneel eczeem. Het doel van dit onderzoek was het in kaart brengen van de effectiviteit van dagbehandeling bij volwassenen en kinderen met constitutioneel eczeem aan de hand van de SCORAD (SCORing Atopic Dermatitis), de Skindex-29 en de CDLQI-score (Children’s Dermatology Life Quality Index). Met behulp van retrospectief onderzoek werden gegevens geanalyseerd van volwassenen en kinderen met constitutioneel eczeem die behandeld zijn op de dagbehandeling. De SCORAD, de Skindex-29 en de CDLQI vóór en na afronden van de dagbehandeling werden met elkaar vergeleken. In totaal waren gegevens van 67 volwassenen en 23 kinderen beschikbaar voor analyse. De SCORAD bij volwassen patiënten daalde van 48,9 bij aanvang van de behandeling naar 19,4 na gemiddeld 21,2 behandelingen op de dagbehandeling, met een gemiddelde reductie van de SCORAD van 59,8%. De Skindex-29 daalde van 55,7 bij aanvang van de behandeling naar 27,1 na afronding van de behandeling. Bij de kinderen daalde de SCORAD met 47,7% na gemiddeld 5,7 behandelingen, van 38,8 vóór aanvang van de behandeling naar 20,5 na afronding van de dagbehandeling. De CDLQI daalde van 14,2 naar 6,2. Dagbehandeling lijkt een effectieve behandeling om de ernst van het eczeem en de kwaliteit van leven te verbeteren bij zowel volwassenen als kinderen met constitutioneel eczeem.

(Ned Tijdschr Allergie & Astma 2018;18:56-63)

Lees verder

Profielen van sesamzaadsensibilisatie bij kinderen en volwassenen

NTvAAKI - jaargang 18, nummer 2, mei 2018

prof. dr. ir. H.F.J. Savelkoul , dr. J.A.M. Emons , dr. N.W. de Jong , S.L. Kingma

SAMENVATTING

Sesamzaadallergie heeft een lage prevalentie in vergelijking met andere voedselallergieën, maar komt steeds vaker voor in Nederland. De diagnostiek wordt bemoeilijkt door een slechte sensitiviteit en specificiteit van de diverse testen, waarschijnlijk veroorzaakt door extractieproblematiek van het zaad en de brede kruisreactiviteit met andere allergenen. De huidpriktest is een snelle en vaak de eenvoudigste methode om sensibilisatie te meten, maar klinische relevantie is vaak onduidelijk. Een goede dieetanalyse van sesamzaadconsumptie kan daarbij van grote waarde zijn. In het Erasmus MC is onderzocht of deze combinatie van waarde kan zijn bij de diagnose van een sesamzaadallergie. Na selectie zijn 51 patiënten met een positieve huidpriktest ingedeeld in groepen, afhankelijk van hun profiel. Hiervan hadden 19 patiënten (37,2%) hoogstwaarschijnlijk een klinisch relevante sesamzaadallergie en 32 patiënten (62,7%) hadden hoogstwaarschijnlijk een niet-klinisch relevante sesamzaadsensibilisatie. Zes patiënten (11,8%) bleken sesamzaad te mijden uit het dieet vanwege een positieve huidtest in het verleden en 4 patiënten (7,8%) bleken sesamzaad te nuttigen zonder zich daarvan bewust te zijn en hadden regelmatig allergische klachten. Zesentwintig patiënten (50,9%) consumeerden regelmatig sesamzaad, waarbij gemiddeld 6 verschillende producten per persoon werden genuttigd. Er was geen significant verschil in hoogte van de huidtestuitslag tussen de groepen. Het onderzoek toont aan dat een goede dieetanamnese bij patienten met een sesamzaadsensibilisatie in de huidpriktest een grote toegevoegde waarde heeft voor de diagnose van een sesamzaadallergie. Deze combinatie van huidpriktest en dieetanalyse blijkt goed te gebruiken in de dagelijkse praktijk van de allergoloog bij het ontbreken van andere gestandaardiseerde diagnostische tools.

(Ned Tijdschr Allergie & Astma 2018;18:64-75)

Lees verder

Microbioom van de huid

NTvAAKI - jaargang 18, nummer 2, mei 2018

dr. J.E.E. Totté , prof. dr. S.G.M.A. Pasmans

SAMENVATTING

Het microbioom van de huid maakt deel uit van onze huidbarrière en vormt samen met het immuunsysteem een complex en gebalanceerd ecosysteem. Eerste beschrijvende studies toonden associaties aan tussen veranderingen in het microbioom en huidziekten. Langzaam verschijnen ook longitudinale en interventiestudies die voorzichtig een rol suggereren bij het ontstaan of aanwakkeren van huidaandoeningen. Toch is er nog veel onduidelijk over het aandeel van het microbioom in de pathogenese van huidziekten ten opzichte van andere factoren. De enorm snelle ontwikkeling van technieken, met name de mogelijkheid te kijken naar functies van bacteriën, zal ons meer leren over interacties tussen micro-organismen, het humane immuunsysteem en de huidbarrière binnen het ecosysteem. Daarnaast hebben nieuwe behandelstrategieën die aangrijpen op het microbioom, maar geen bacteriële resistentie induceren, een belangrijke rol om de openstaande vraagstukken te beantwoorden. Binnen heterogene huidaandoeningen zoals constitutioneel eczeem, zal de microbiële component als onderdeel van de pathogenese waarschijnlijk verschillen tussen patiënten en variëren over de tijd. Het ontdekken van subgroepen die baat hebben bij therapie gericht op het microbioom is belangrijk als onderdeel van een meer geïndividualiseerde behandeling.

(Ned Tijdschr Allergie & Astma 2018;18:76-83)

Lees verder

IgG4-gerelateerde ziekte: huidige stand van zaken

NTvAAKI - jaargang 18, nummer 1, februari 2018

dr. A.F. Karim , dr. J.A.M. van Laar , dr. M.A.W. Hermans , prof. dr. P.M. van Hagen , dr. R.M. Verdijk

SAMENVATTING

IgG4-gerelateerde ziekte (IgG4-RD) is een systemische, fibro-inflammatoire ziekte met manifestaties in bijna alle organen en derhalve een breed palet aan klinische presentaties. De ziekte wordt gekenmerkt door fibrosering en infiltratie van IgG4-positieve plasmacellen in de aangedane organen waarvan de precieze pathogenese vooralsnog onbekend is. Alhoewel het serum-IgG4 behulpzaam kan zijn in de diagnostiek van IgG4-RD, is histologie vooralsnog de gouden standaard om tot een diagnose te komen. Kennis van IgG4-RD is belangrijk om vertraging in de diagnostiek of misdiagnose te voorkomen. Onbehandelde IgG4-RD kan leiden tot fibrosering van de betrokken organen of zelfs secundaire AA-amyloïdose. De eerstelijnsbehandeling bestaat in het algemeen uit corticosteroïden. Er is echter vaak reactivatie van ziekte na het afbouwen of stoppen van corticosteroïden, waardoor steroïdsparende behandeling noodzakelijk is. Conventionele immuunsuppressieve middelen zoals methotrexaat of azathioprine kunnen worden gebruikt in de behandeling, maar deze werken niet altijd afdoende. Er is toenemend bewijs voor de effectiviteit van rituximab bij patiënten die refractair zijn voor conventionele middelen of met een ernstige eerste presentatie.

(Ned Tijdschr Allergie & Astma 2018;18:3-9)

Lees verder

Transmurale samenwerking allergeenimmunotherapie regio Rijnmond

NTvAAKI - jaargang 17, nummer 4, november 2017

mw. B. Hanselaar , dr. G-J. Braunstahl , L.M. Chow , M. Elias , M.C. van der Kaaden , namens de BeterKeten-projectgroep , prof. dr. P.J.E. Bindels , prof. dr. R. Gerth van Wijk , R.H.L. Paping , mw. S. Ruikes , mw. T.H. Mennema

SAMENVATTING

Dit artikel beschrijft de ambitie van een werkgroep van zes medisch specialisten uit verschillende ziekenhuizen en drie huisartsen uit de regio Rotterdam-Rijnmond om de behandeling van patiënten met allergische klachten te verbeteren door op het juiste moment op de juiste plaats immunotherapie aan te bieden. Doelstelling is om door een goede samenwerking tussen de eerste en de tweede lijn de kwaliteit en doelmatigheid van deze zorg in de Rotterdamse regio op een hoger plan te brengen. Deze ervaringen zouden ook van waarde kunnen zijn voor andere regio’s en wellicht tot navolging kunnen leiden.

(Ned Tijdschr Allergie & Astma 2017;17:138-142)

Lees verder

De rol van het microbioom in de ontwikkeling en ernst van astma

NTvAAKI - jaargang 17, nummer 4, november 2017

dr. G.A. Tramper

SAMENVATTING

Sinds de opkomst van kweekonafhankelijke technieken zijn er veel nieuwe inzichten verkregen in de rol van het microbioom bij ontstekingsgerelateerde ziekten waaronder astma. Het microbioom staat onder invloed van externe factoren zoals omgeving, dieet en antibioticagebruik. Een verminderde diversiteit van het darmmicrobioom op zuigelingenleeftijd, de aanwezigheid van bepaalde species en een verminderde blootstelling aan bacteriële endotoxinen zijn alle geassocieerd met de ontwikkeling van astma op schoolleeftijd. Causaliteit wordt gesuggereerd door muismodellen. Deze laten zien dat de afwezigheid van bepaalde microbiota gerelateerd is aan de ontwikkeling van astma, en dat dit geremd kan worden door introductie van normale microbiota. Bij volwassenen verschilt het luchtwegmicrobioom van patiënten met licht en ernstig astma van dat van gezonde controles en is geassocieerd met type en ernst van astma. Het fylum Proteobacteriën speelt waarschijnlijk een belangrijke rol bij astma, maar het is onduidelijk of juist ook de afwezigheid van andere fyla belangrijk is voor ziekteontwikkeling. Therapieën gericht op modulatie van het microbioom, zoals pre- of probiotica, hebben tot nog toe niet tot succesvolle resultaten geleid bij astma. Meer inzicht in de interactie tussen het microbioom en het mucosale immuunsysteem is nodig om tot succesvolle therapieën te komen.

(Ned Tijdschr Allergie Astma 2017;17:144-154)

Lees verder
X