ALLERGIE

Risico-inventarisatie bij de diagnose van een β-lactamallergie: kunnen we vertrouwen op een gestandaardiseerde allergie-anamnese?

NTvAAKI - jaargang 21, nummer 3, september 2021

dr. C. Nieuwhof , dr. E. van Rossum , S.F.J. de Kruijf-Bazen MSc

SAMENVATTING

Een gerapporteerde β-lactamallergie blijkt in meer dan 85% van de gevallen onterecht. Bij een gemelde β-lactamovergevoeligheid wordt vaak de complete groep β-lactamantibiotica vermeden, waardoor naar tweedekeusantibiotica wordt overgestapt. Dit verhoogt het risico op antibioticaresistentie, complicaties en leidt tot hogere kosten. In deze studie werden 56 patiënten onderzocht die allergiehuidtesten hebben ondergaan voor de analyse naar een (zelf)gerapporteerde β-lactamallergie. Met behulp van een gestructureerde medicatieallergie-anamnese met een bijbehorende referentiestandaard werd de waarschijnlijkheid van het type allergie door 2 onderzoekers onafhankelijk van elkaar gescoord. Deze score werd vergeleken met de conclusie van de gouden standaard: huidtesten/provocatie. Van de 56 patiënten konden 53 in de analyses worden opgenomen. Op basis van de anamneselijst werden 51 patiënten geclassificeerd als verdacht voor allergie (type 1 of 4), terwijl dit bij 62% niet kon worden bevestigd. De enige betrouwbare voorspelling kon worden gemaakt op grond van informatie over het ontbreken van klachten na re-expositie: dit bleek 100% voorspellend te zijn voor veilig hergebruik. De sensitiviteit van de gebruikte anamneselijst was 100% en de specificiteit 6%. De overeenstemming tussen de classificatie op de anamneselijst en de definitieve conclusie van de allergie was laag (kappa 0,083). De anamneselijst ondersteunt dus onvoldoende in het categoriseren van het type allergie en heeft geen meerwaarde voor het maken van keuzes voor vervolgdiagnostiek. Betere registraties zijn noodzakelijk om een reëlere inschatting te kunnen maken, met prospectieve registratie van in ieder geval de naam van het geneesmiddel, de tijd tussen inname en klachten, en de klinische reactie.

(NED TIJDSCHR ALLERGIE, ASTMA, KLIN IMMUNOL 2021;21(3):85-90)

Lees verder

Vitamine D3 verhoogt de werking van subcutane en sublinguale allergeenspecifieke immuuntherapie

NTvAAKI - jaargang 21, nummer 3, september 2021

dr. J.N.G. Oude Elberink , dr. L. Hesse , prof. dr. ir. M.C. Nawijn

SAMENVATTING

Allergische aandoeningen van de luchtwegen zijn chronische ontstekingsziekten met symptomen zoals tranende of jeukende ogen, niezen en hoesten. Deze aandoeningen worden gekenmerkt door eosinofiele luchtwegontsteking, verdikking van de luchtwegwand en hyperreactiviteit van de luchtwegen op externe prikkels. Tot op heden kunnen deze aandoeningen niet worden genezen en is de behandeling gericht op het verminderen van symptomen door onderdrukking van de ontsteking en verwijding van de luchtwegen. Gezien het ongemak voor de patiënt en de stijgende prevalentie van allergische aandoeningen blijft een effectieve behandeling die langdurig de symptomen kan onderdrukken of de aandoening kan genezen een belangrijke medische noodzaak. Allergeenspecifieke immuuntherapie (SIT) is de enige behandeling die de symptomen van allergische aandoeningen langdurig kan onderdrukken, ook na beëindiging van de behandeling. De toepassing van allergeenspecifieke immuuntherapie bij astma wordt echter belemmerd door suboptimale effectiviteit bij astmapatiënten. De werkzaamheid van allergeenspecifieke immuuntherapie zou kunnen worden verhoogd door het gebruik van adjuvantia, die de beoogde immuunmodulatie kunnen versterken. Vitamine D3 is 1 van de mogelijke adjuvantia in immuuntherapie die overwogen kan worden om de werkzaamheid van SIT te verbeteren. In dit artikel wordt vitamine D3 als kandidaat-adjuvans besproken voor het verbeteren van de effectiviteit van immuuntherapie bij astmapatiënten. Uit muizenstudies bleek dat vitamine D3-suppletie aan subcutane en sublinguale immuuntherapie de inductie van neutraliserende antilichamen en onderdrukking van IgE kan versterken. Daarnaast werd een afname van het aantal eosinofielen en verhoogde niveaus van interleukine-10 in longweefsel gevonden. Deze nieuwe bevindingen tonen aan dat vitamine D3 als adjuvans bijdraagt aan het onderdrukken van de luchtwegontsteking in een muismodel voor allergisch astma. Tevens benadrukken deze resultaten, gecombineerd met bevindingen in de kliniek, de relevantie van sufficiënte vitamine D3-spiegels voor succesvolle immuuntherapie. Nader onderzoek is nodig naar het gebruik van vitamine D3 als adjuvans om de werkzaamheid van immuuntherapie in de klinische praktijk te verbeteren.

(NED TIJDSCHR ALLERGIE, ASTMA, KLIN IMMUNOL 2021;21(3):91-6)

Lees verder

Risico-inventarisatie bij de diagnose van een β-lactamallergie: kunnen we vertrouwen op een gestandaardiseerde allergie-anamnese?

NTvAAKI - , nummer ,

dr. C. Nieuwhof , dr. E. van Rossum , S.F.J. de Kruijf-Bazen MSc

Een gerapporteerde β-lactamallergie blijkt in meer dan 85% van de gevallen onterecht. Bij een gemelde β-lactamovergevoeligheid wordt vaak de complete groep β-lactamantibiotica vermeden, waardoor naar tweedekeusantibiotica wordt overgestapt. Dit verhoogt het risico op antibioticaresistentie, complicaties en leidt tot hogere kosten. In deze studie werden 56 patiënten onderzocht die allergiehuidtesten hebben ondergaan voor de analyse naar een (zelf)gerapporteerde β-lactamallergie. Met behulp van een gestructureerde medicatieallergie-anamnese met een bijbehorende referentiestandaard werd de waarschijnlijkheid van het type allergie door 2 onderzoekers onafhankelijk van elkaar gescoord. Deze score werd vergeleken met de conclusie van de gouden standaard: huidtesten/provocatie. Van de 56 patiënten konden 53 in de analyses worden opgenomen. Op basis van de anamneselijst werden 51 patiënten geclassificeerd als verdacht voor allergie (type 1 of 4), terwijl dit bij 62% niet kon worden bevestigd. De enige betrouwbare voorspelling kon worden gemaakt op grond van informatie over het ontbreken van klachten na re-expositie: dit bleek 100% voorspellend te zijn voor veilig hergebruik. De sensitiviteit van de gebruikte anamneselijst was 100% en de specificiteit 6%. De overeenstemming tussen de classificatie op de anamneselijst en de definitieve conclusie van de allergie was laag (kappa 0,083). De anamneselijst ondersteunt dus onvoldoende in het categoriseren van het type allergie en heeft geen meerwaarde voor het maken van keuzes voor vervolgdiagnostiek. Betere registraties zijn noodzakelijk om een reëlere inschatting te kunnen maken, met prospectieve registratie van in ieder geval de naam van het geneesmiddel, de tijd tussen inname en klachten, en de klinische reactie.

Lees verder

MAGIC-2: resultaten van sublinguale immuuntherapie met graspollensmelttabletten in de huisartsenpraktijk

NTvAAKI - jaargang 21, nummer 2, mei 2021

dr. H. de Groot , dr. I. Abdisalaam , dr. P.M.M. van Haard

SAMENVATTING

Allergische rinitis op basis van een graspollenallergie is een probleem dat veel wordt gezien in de huisartsenpraktijk. Bij patiënten bij wie een standaard behandeling niet aanslaat en/of die klachten ervaren met invloed op het dagelijks functioneren, kan sublinguale immuuntherapie een uitkomst bieden. In de MAGIC-2-studie worden de ervaringen beschreven van 54 Nederlandse huisartsenpraktijken met allergie-immuuntherapietabletten bij kinderen tussen de 5–17 jaar met een graspollenallergie. Slechts 30% van de kinderen had een mono-allergie voor graspollen, het merendeel van de deelnemers had multipele allergieën: naast graspollen ook huisstofmijt-, boompollen- en/of huisdierenallergie. Bij de eerste inname van het snel oplossende, gevriesdroogde tablet (smelttablet) had 36% van de deelnemers bijwerkingen, deze waren met name lokaal en mild tot matig van aard. Anafylactische reacties werden niet gemeld. Onder zowel de deelnemers (83%) als de voorschrijvende huisartsen (91%) was een hoge mate van tevredenheid. Het eerste jaar van de behandeling werd door 76% van de deelnemers afgerond. De resultaten van de MAGIC-2-studie bij huisartsen zijn vergelijkbaar met de resultaten van de MAGIC-1-studie bij medisch specialisten.
(NED TIJDSCHR ALLERGIE, ASTMA, KLIN IMMUNOL 2021;21(2):42-7)

Lees verder

Vissen naar mogelijkheden: nieuwe inzichten in de diagnostiek en behandelmogelijkheden van visallergie

NTvAAKI - jaargang 21, nummer 1, februari 2021

dr. A.A.J.M. van de Ven , D. Dijkema MSc, dr. J.A.M. Emons , dr. J.N.G. Oude Elberink

SAMENVATTING

Visallergie is een van de meest voorkomende voedselallergieën. De aanbevolen behandeling betreft het vermijden van meestal alle vissoorten. Volgens nieuwe inzichten hoeft het vermijden van alle vissoorten tegenwoordig echter niet meer de praktijk te zijn. Patiënten met een visallergie zijn te onderscheiden in 3 groepen: (A) poly-gesensibiliseerde patiënten die op alle soorten vis reageren, (B) monogesensibiliseerde patiënten met een selectieve allergische reactie voor 1 individuele vissoort en (C) oligo-gesensibiliseerde patiënten die reageren op een aantal specifieke vissoorten. Hier kunnen verschillende visallergenen, waaronder parvalbumine, enolase of aldolase verantwoordelijk voor zijn. Dit artikel beschrijft de huidige stand van zaken voor de diagnostiek en behandeling van visallergie, waarbij de meeste patiënten met een visallergie toch vissoorten kunnen eten.

(NED TIJDSCHR ALLERGIE, ASTMA, KLIN IMMUNOL2021;21(1):4-10)

Lees verder

Gebruik van auto-injectoren voor adrenaline door niet-medische professionals bij kinderen met een ernstige allergische reactie op voiding

NTvAAKI - jaargang 21, nummer 1, februari 2021

A. Rorije MSc, dr. A.B. Sprikkelman , dr. B.M.J. Flokstra-de Blok , J. van Cooten MSc, J.J. Vodegel BSc, dr. J.L. van der Velde , S.J. Pecht BSc

SAMENVATTING

Over de behandeling van een potentieel levensbedreigende allergische reactie op voeding door niet-medische professionals (bijvoorbeeld leerkrachten) bestaat veel onduidelijkheid. De reactie moet namelijk direct worden behandeld met een auto-injector voor adrenaline (‘adrenaline auto-injector’: AAI). In Nederland zijn echter onduidelijke richtlijnen voor situaties waarin een kind buiten het bereik van een ouder of medisch professional een allergische reactie krijgt en het gebruik van een AAI noodzakelijk is. Volgens de wet is het strafbaar om iemand opzettelijk in een hulpeloze toestand te brengen of achter te laten. Ook is het strafbaar om geen hulp te verlenen in een levensbedreigende situatie. In het geval van een potentieel levensbedreigende allergische reactie (anafylaxie) heeft iedereen de plicht om te handelen naar beste weten en kunnen. Momenteel is het onvoldoende duidelijk voor niet-medische professionals, waaronder leerkrachten, hoe te handelen bij een potentieel levensbedreigende allergische reactie. Dit kan worden verbeterd door een betere afstemming tussen leerkrachten en ouders, verbetering van de bestaande richtlijnen en uitleg over de in te zetten handelingen.

(NED TIJDSCHR ALLERGIE, ASTMA, KLIN IMMUNOL 2021;21(1):11-6)

Lees verder

De invloed van maagzuurremmers of een ‘gastric bypass’ op het ontstaan van voedselallergie

NTvAAKI - jaargang 20, nummer 4, december 2020

dr. A.A.J.M. van de Ven , D. Dijkema MSc, dr. J.N.G. Oude Elberink , drs. L.J. Wolters

SAMENVATTING

Van begin 2018 tot begin 2019 presenteerde zich een 10-tal patiënten op de polikliniek Allergologie voor volwassenen van het UMCG met een ernstiger reactie dan gebruikelijk op een voedselallergeen. Al deze patiënten gebruikten sinds kort een maagzuurremmer of hadden een ‘gastric bypass’ ondergaan. Hypoaciditeit van de maag, geïnduceerd door het gebruik van maagzuurremmers of na een ‘gastric bypass’, zorgt dat eiwitten minder goed worden afgebroken en het risico op een voedselallergie wordt vergroot. Aangezien veel volwassenen een maagzuurremmer gebruiken, lijkt de kans dat dit het ontstaan van een voedselallergie vergroot niet heel reëel. Toch bestaat steeds meer bewijs dat dit mechanisme wel meespeelt. Bariatrische chirurgie lijkt een relevante, nieuwe cofactor voor het ontstaan van systemische allergische reacties op hittelabiele voedselallergenen. Hypoaciditeit geïnduceerd door maagzuurremmers kan eenzelfde effect hebben. Het is daarom aan te raden hierop alert te zijn bij de anamnese. Naast hypoaciditeit speelt mogelijk ook een verhoogde darmpermeabiliteit of het microbioom een rol bij het ontstaan van voedselallergie. Hier moet meer onderzoek naar worden gedaan.

(NED TIJDSCHR ALLERGIE, ASTMA, KLIN IMMUNOL 2020;20(4):133-7)

Lees verder
X