KLINISCHE IMMUNOLOGIE

Intranasale corticosteroïden geven geen verhoogd risico op oftalmologische complicaties: een systematische review

NTvAAKI - jaargang 21, nummer 4, december 2021

drs. F.V.W.J. van Zijl , dr. H.C. Hafkamp , dr. J. Kusmierczyk , dr. M.L. Gerdes

Over het risico op oftalmologische complicaties bij het gebruik van intranasale corticosteroïden bestaat onduidelijkheid. In dit systematische literatuuronderzoek werd het verband tussen het gebruik van intranasale corticosteroïden (INC’s) en het risico op glaucoom, cataract of centrale sereuze chorioretinopathie onderzocht. In totaal werden 15 artikelen geïncludeerd. De relatie tussen INC’s en glaucoom of cataract is uitvoerig getoetst; geen enkele studie laat een verhoogd risico op deze 2 complicaties zien. Er werden geen artikelen gevonden die de associatie tussen INC’s en centrale sereuze chorioretinopathie onderzochten; deze associatie kan daarom bevestigd noch verworpen worden.

(NED TIJDSCHR ALLERGIE, ASTMA, KLIN IMMUNOL 2021;21(4):134–41)

Lees verder

Sarcoïdose: de huidige stand van zaken

NTvAAKI - jaargang 21, nummer 4, december 2021

dr. A.F. Karim , drs. C.J. Teunis , dr. J.A.M. van Laar , K.E. van der Wouden

Sarcoïdose is een systemische, granulomateuze, niet-infectieuze aandoening met kans op betrokkenheid van bijna alle organen. De diagnose is gebaseerd op klinische en radiologische kenmerken, waarbij het door middel van histologisch onderzoek aantonen van granulomen essentieel blijft. Biomarkers als ‘soluble’ interleukine 2-receptor in serum kunnen vanwege de hoge sensitiviteit van meerwaarde zijn bij de diagnostiek van sarcoïdose. Aanvullende beeldvormende onderzoeken zoals een CT-en/ of PET-scan zijn vaak nodig om de uitgebreidheid van de ziekte en de lokalisatie voor een biopsie vast te stellen. Behandeling is geïndiceerd indien sprake is van bedreiging van vitale organen (zoals de ogen, longen en het hart) door de actieve ziekte. Hoewel protocollaire behandelstrategieën ontbreken, zijn er verschillende behandelopties. Glucocorticoïden zijn vaak de eerste behandelstap, gevolgd door conventionele immuunsuppressieve middelen (zoals methotrexaat), tweedelijnsbiologicals (zoals TNF-α-antagonisten).

(NED TIJDSCHR ALLERGIE, ASTMA, KLIN IMMUNOL 2021;21(4):142–8)

Lees verder

Huidige en toekomstige behandelopties voor hereditair angio-oedeem

NTvAAKI - jaargang 21, nummer 1, februari 2021

dr. D.M. Cohn , drs. L.M. Fijen

SAMENVATTING

Hereditair angio-oedeem (HAE) is een zeldzame aandoening met aanvallen van subcutaan en (sub) mucosaal oedeem, die pijnlijk, invaliderend en potentieel dodelijk zijn. In het afgelopen decennium zijn meerdere nieuwe behandelopties voor HAE ontwikkeld, voor zowel langetermijnprofylaxe als de behandeling van acute aanvallen. Deze nieuwe therapieën zijn gericht op meer effectiviteit en verdraagbaarheid, naast vereenvoudigde toedieningsmogelijkheden. Dit artikel bespreekt de pathofysiologische aangrijpingspunten en de effectiviteit van zowel de huidige, als de toekomstige behandelmogelijkheden.

(NED TIJDSCHR ALLERGIE, ASTMA, KLIN IMMUNOL 2021;21(1):17-23)

Lees verder

De ACR/EULAR-classificatiecriteria voor IgG4-gerelateerde ziekte – Is het bos nu door de bomen te zien?

NTvAAKI - jaargang 20, nummer 4, december 2020

dr. M.E. Doorenspleet , dr. P.L. Klarenbeek

SAMENVATTING

In de afgelopen 20 jaar is steeds meer bekend geworden over IgG4-gerelateerde ziekten. De heterogeniteit van de ziekte kan in de praktijk de diagnosestelling lastig maken. Ook onderzoek naar deze ziekte is lastig, omdat voor het stellen van de diagnose in onderzoeksverband geen eenduidige criteria waren. Recentelijk werden door een groot internationaal consortium nieuwe classificatiecriteria voorgesteld die ondersteund worden door het American College of Rheumatology en de European League Against Rheumatism. Dit artikel bespreekt deze nieuwe criteria in de context van de huidige stand van zaken en bespreekt de waarde ervan voor onderzoek en de klinische praktijk.

(NED TIJDSCHR ALLERGIE, ASTMA, KLIN IMMUNOL 2020;20(4):150-4)

Lees verder

Gas geven of remmen? Immuunmonitoring als basis voor immuuntherapie

NTvAAKI - jaargang 20, nummer 1, februari 2020

prof. dr. A.W. Langerak , dr. D. Hamann , dr. E.G. van Lochem , dr. H.G. Otten , dr. J.G.M.C. Damoiseaux

SAMENVATTING

Immuuntherapie wordt steeds meer toegepast bij de behandeling van hematologische maligniteiten en solide tumoren en ook bij de behandeling van auto-immuunziekten. Immuuntherapie met monoklonale antistoffen is erop gericht het immuunsysteem te versterken of juist af te remmen. Beide aspecten van immuuntherapie werden besproken tijdens het eerste symposium van het College van Medisch Immunologen op 12 juni 2019. Gedurende het symposium stonden monoklonale antistoffen tegen B-cellen (rituximab, gericht tegen het CD20-antigeen), plasmacellen (daratumumab, gericht tegen het CD38-antigeen) en T-cellen (met name pembrolizumab en ipilimumab, gericht tegen respectievelijk PD-1 en CTLA4) model voor successen en uitdagingen van immuuntherapie met monoklonlae antistoffen. Daarnaast werd stilgestaan bij nieuwe aspecten van de ontwikkeling van therapeutische antistoffen vanuit de industrie.

(NED TIJDSCHR ALLERGIE, ASTMA, KLIN IMMUNOL 2020;20:24-28)

Lees verder

Plaatsbepaling en toegevoegde waarde van serologie, HLA-DQ-typering en immuunhistochemie bij de diagnostiek van coeliakie

NTvAAKI - jaargang 19, nummer 4, november 2019

drs. E. van Lochem , dr. H. Otten , drs. M. Wessels , dr. P. Wahab

SAMENVATTING

Met de relatief hoge prevalentie van circa 1% in de westerse wereld bestaat veel aandacht voor laagdrempelige screening en minder invasieve diagnostiek bij coeliakie. De ESPHGAN-richtlijn uit 2012 voor de diagnose van coeliakie bij kinderen beschrijft algoritmes voor diagnostiek voor risicogroepen en bij het klinisch vermoeden op coeliakie. Deze algoritmes zijn breed in de zorgketen geïmplementeerd. In meerdere opzichten blijken de huidige richtlijnen voor diagnostiek naar coeliakie niet altijd passend voor de beoogde patiëntengroepen zoals die zich bij huisartsen en medisch specialisten presenteren.
Dit artikel bespreekt de plaatsbepaling van de verschillende vormen van diagnostiek, wanneer deze een toegevoegde waarde hebben of juist niet van toepassing zijn voor de diagnose coeliakie.

(NED TIJDSCHR ALLERGIE, ASTMA, KLIN IMMUNOL 2019;19:138-46)

Lees verder

Is de afwezigheid van allergie bij het merendeel van de bevolking te danken aan een beschermende werking van kiemcentra?

NTvAAKI - jaargang 19, nummer 3, augustus 2019

prof. dr. R. Hoekzema , Prof. dr. R.C. Aalberse

SAMENVATTING

Het doel van dit artikel is een hypothese te bespreken waarmee kan worden verklaard waarom de meeste mensen NIET allergisch worden. Er zijn twee factoren die de vorming van IgE-producerende B-cellen beperken: 1) het ontbreken van (voldoende) IL-4 en TH2-contact die beide noodzakelijk zijn voor de klasse-switch naar IgE; 2) de onderdrukkende werking van actieve kiemcentra op IgE-producerende B-cellen. Inhalatieallergenen zijn zwakke antigenen die alleen bij (in immunologisch opzicht) de meest reactieve personen een B-celrespons induceren. Na een klasse-switch naar IgE is de overlevingskans van IgE-producerende B-cellen aangetast, vooral in actieve kiemcentra. Antigene stimulatie in de aanwezigheid van ‘danger signals’ leidt tot de vorming van volgroeide kiemcentra, waardoor IgG-producerende B-cellen worden gestimuleerd, maar IgE-producerende B-cellen worden geëlimineerd. Antigene stimulatie in de afwezigheid van ‘danger signals’ leidt meestal niet tot de vorming van volgroeide kiemcentra, waardoor IgE-producerende B-cellen kunnen ontsnappen en uitrijpen tot IgE-producerende plasmacellen. De IgE- en IgG-immuunrespons tegen geïnhaleerde allergenen zijn positief geassocieerd, maar dit resulteert in slechts een lage IgG/IgE-ratio.

(NED TIJDSCHR ALLERGIE, ASTMA, KLIN IMMUNOL 2019;19:95-102)

Lees verder
X